VERBEEKFONDS U bevind zich hier: Gedachtenisviering

Gedachtenisviering


Afscheid van Herman Verbeek

Geboren 17 mei 1936 - overleden 1 februari 2013.

Der Aa-kerk, Groningen
Zaterdag 9 februari 2013

“Woorden drinken van diep verleden voor dorstig heden.” Bij het schrijven van deze liedregel had Herman nog niet in gedachten dat wij vandaag, hier, met hem niet meer onder ons, deze woorden zouden zingen. En toen Marion, de zus van Herman, deze regels las en haar zo raakten en zij die voorgoed bewaarde in haar hart, had ze ook niet kunnen bedenken nu, met deze regels nog naklinkend deze ruimte, hier te zitten. En Chris, toen hij de muziek bij deze regels van Herman schreef, ook niet. Maar we zijn hier vandaag wel en we zingen deze woorden wel. Ieder met eigen gedachten en vooral eigen gevoelens. Gedachten en gevoelens die, hoe verschillend ook, samen komen in die ene werkelijkheid: Herman is er niet meer. Negen dagen terug, op vrijdag 1 februari, even voor tien uur ‘s avonds, groette Herman Chris, mijn lieve vrouw Nely en mij voor het laatst, sloot hij de ogen, strekte zijn arm al om de twee laatste injecties te ontvangen die hem deden sterven, die de dokter hem daarna gaf. De euthanasie was al lang daarvoor besproken en geregeld. Dat gaf Herman de rust waarmee hij tot 1 februari zijn leven in stabiliteit kon leven. Toen ging het niet meer. Nare complicaties kondigden zich onmiskenbaar aan en was het moment van zelfgekozen afscheid daar. Zoals gezegd waren Chris, mijn vrouw en ik erbij. Het was een diep en diep waardig afscheid, precies zoals Herman dat had gewild. En nu is Herman er niet meer. Met elkaar proberen we die realiteit onder ogen te zien. In dat ‘met elkaar’ zit een begin van troost. Tegelijkertijd zal menigeen, iedereen denk ik, ook het andere gevoel hebben: het gevoel de eigen pijn zelf te moeten dragen. De ander is hierbij een wezenlijke hulp, de meest wezenlijke zelfs (ik kom daar nog op terug), maar hulp blijft altijd hulp in de zin van een bijdrage. U en ik moeten er zelf doorheen. Het klinkt misschien vreemd, maar ik wens u het verdriet toe. Ik wil dit kort verduidelijken. Verdriet is een gevoel en elk gevoel is een mededeling. Zoals angst verwijst naar een bedreigd leven, bijvoorbeeld gebrek aan troost, woede verwijst naar een onvervuld verlangen, deelt verdriet de waarheid van het verlies mee. Verdriet staat in twee werelden: het kan niet waar zijn, maar is wel waar. Wat niet kon of mocht gebeuren, is wel gebeurd. In deze zin is verdriet voorbij aan woede, ontkenning, depressie, allemaal heel nare gevoelens die ten diepste de werkelijkheid proberen te ontkennen of ongedaan te maken. Met dat we verdrietig zijn, erkennen we juist dat het verdrietige feit waar is, onontkoombaar en onloochenbaar waar. Niet als feit, ook dat, maar in ons gevoel. We moeten verder, zonder de ander, zonder Herman. Het heden is meer verminkt dan het was. Voor de één een stukje, voor de ander heel veel.

 

Het zijn gedachten die zo uit een gesprek met Herman hadden kunnen komen. Altijd op zoek naar het begrijpen van deze wereld en de enkele mens, waren zoektochten en conclusies als deze eigen aan het leven en denken van Herman. Waar hij in zijn artikelen en in een aantal boeken deze wereld doorwrocht en breed analyseerde, deed hij dat aan de telefoon of in gesprek ‘spontaan’ en persoonlijk. Misschien stuiten we hier op een wezenstrek van Herman. Ik spreek deze met aarzeling uit, omdat elke typering van iemand, hoe raak ook, altijd iets van een karikatuur is en daarmee altijd een onrechtvaardige beperking in zich draagt. Ik kan in deze minuten hier Herman niet in volle diepte schetsen, al is het alleen maar dat voor hem geldt wat voor ons allen geldt: niemand kijkt tot in de uithoeken van iemands ziel, en precies daar liggen vaak de geheimen die ons doen en laten zo begrijpelijk zouden maken, voor onszelf in de eerste plaats trouwens – één van onze ongelukken is dat we zo beperkt naar onze uithoeken durven te kijken en daardoor vaak zo eindeloos worstelen met onze verlangens, neigingen en daden. Dat gezegd hebbend, durf ik het aan: karakteristiek voor Herman was het dubbele gangspoor van analyse van de grote wereld en de kleine grote wereld van mensen persoonlijk. De oppervlakkige beschouwer noemt dat dubbel, en ik heb het wel gehoord als iemand over Herman sprak. Maar wat dubbel lijkt, was bij Herman een diep gewortelde eenheid, die in heel veel terugkwam. Een gevleugelde uitspraak van hem illustreert dat kernachtig: “Het persoonlijke is politiek en het politieke is persoonlijk.” Dat dubbele spoor, dat dus geen gespletenheid maar juist krachtige eenheid is, beschrijft hij, onbedoeld denk ik, mooi in zijn autobiografie Toen daalde de duif. Herman reisde een keer met Johan, lid van de Citygroep, de ouders en Annelies, de vriendin van Johan, naar Noorwegen. Het zou een emotionele reis worden. Herman sliep in een tent, grenzend aan die van Johan en zijn vriendin Annelies. Met alleen het zakdoekdunne wandje ertussen raakte hij totaal van streek en in paniek en huilde het uit. De intieme liefde waar hij daar ongewild getuige van was, misschien ‘slechts’ het in elkaars armen in slaap vallen, was onverdraaglijk voor hem. Het levenslange gemis hiervan bracht hem de Getsémané-ervaring: een mens die bloedige tranen huilt omdat hij weet dat een weg is doodgelopen. Johan en Annelies zaten lief bij hem en ‘dwongen’ hem tegen zijn neiging in terug te keren tot blijven. En zo gebeurde. Op zijn vele wandeltochten door de heuvels had hij Het menselijk gelaat van Emmanuel Levinas bij zich. Op een middag zat hij op een heuveltop te lezen. Herman: “Daar ontsprong een bron, die aan de ene zijde in een breed stroompje en aan de andere zijde in een veel smaller stroompje omlaag vloeide. Ik legde het boek neer en begon water te scheppen van de brede naar de smalle ‘beek’, deel van mijn naam. Telkens droeg ik twee handen water over. Maar bij aankomst was bijna alles tussen mijn vingers weggedrupt. Ik bleef het doen, overgaan van het grote naar het kleine, van het sterke naar het zwakke. Dat kalmeerde me. Ik wist wie ik was, moest zijn, wilde zijn: de kleine beek. Ik schreef het voor in Levinas: Ik zal nog vaak heen en weer moeten.”

 

En dat heeft hij gedaan: nog vaak heen en weer. Van de brede naar de smalle stroom. Maar, voeg ik er nu aan toe, ook andersom: van het kleine, gebrokene, bedreigde, veronachtzaamde, gekleineerde naar de brede stroom waar macht zich in de politiek breedmaakt en niets en niemand ontziend de eigen belangen doordrukt. Zijn leven lang sjorrend en sjouwend om, met het door hem vaak gebruikte beeld, de scheve wereldvoedseltafel waarop alle schalen naar de rijken schuiven, recht te trekken. Door Herman zo grondig geanalyseerd, ondermeer in zijn indrukwekkende boek ‘Economie als wereldoorlog’ en in het kleine groot gemaakt in zijn honderden zangen. Het dubbelspoor nog een stap concreter: in de politiek stond hij voor de belangen van mensen die uitvielen of dreigden uit te vallen, vroeg hij indringend aandacht voor individuele noden die door de gevestigde politieke structuren in nood waren gedreven. En in zijn persoonlijk leven leefde hij voor zover dat in zijn vermogen lag naar waar hij in de politiek voor stond: eerlijk delen, staan en opstaan voor rechtvaardigheid, stutten en steunen wie dreigt om te vallen, hetzij financieel (en dan altijd schenken of lenen zonder rente), hetzij onder geweld van de wet (hij verdedigde dienstweigeraars) hetzij door het machteloze geweld in relaties (hij droogde tranen voor wie geen andere weg was dan huilend vertrekken), biologisch voedsel kopen op de markt (hoewel hierin ook een onvermijdelijk tekort in oplicht, hij bezocht ook regelmatig Albert Heijn), en als dikke rode draad: soberheid, genoeg is genoeg, een persoonlijke lijn uit de politieke lijn, zoals kernachtig verwoord én voorgeleefd door de door Herman zo bewonderde econoom, professor Jan Tinbergen in zijn adagium ‘De economie van het genoeg’. Zo werkte hij en leefde hij zijn leven.

 

Deed Herman dit alles volmaakt? Nee. Ik verwees al half schertsend naar zijn Albert Heijn bezoeken, maar bedoel hiermee ook iets diep menselijks. Het was met Herman zoals met ieder van ons: alles is en blijft mensenwerk en dus behelpen. Wij allen zijn behept met wat wijlen psychiater A. van Dantzig het onvermijdelijke tekort noemde. En door dat onvermijdelijke tekort slagen we nooit altijd in alles en, erger dan dat, maar even onvermijdelijk, doen we elkaar ook noodzakelijkerwijs tekort. Dat was ook het lot van Herman. In deze kerk zijn mensen die dat tekort van hem ook hebben ervaren. Als Herman er niet was, als hij minder toegankelijk, minder inschikkelijk was dan…, ja, dan wij hoopten… In feite: minder aanwezig, toegankelijk inschikkelijk dan hij kon zijn. Ja? Ja. Omdat Herman Herman was. In zijn onvermijdelijke tekort. En enkelen van u werden teleurgesteld in uw al even onvermijdelijke hoop of zelfs verwachting dat het anders zou zijn of gaan. Hoop en verwachting die u had, ook omdat u was die u toen was, of misschien nog bent. Zo kijken leidt niet tot het hoofd in de schoot leggen, maar tot aanvaarden van de menselijke staat die ons ook verbindt in het tekort en zo het mooiste dat in deze wereld dichterbij brengt: begrip. Afzien van het ideaal doet pijn, maar is wel de weg die we hebben te gaan. En zoals altijd, helpt de waarheid verder dan de illusie. Een blazoen met een smet erop, zeg maar een prachtige jurk(je) met een rafel aan de rand lijkt waardeloos, maar toch is de aanvaarding hiervan het beste wat tussen mensen te bereiken is. Dat geldt – ik volg in Gedachtenis aan Herman zijn dubbele spoor – ook in het groot: een oorlog, hoewel altijd vuil, is nooit een gevecht tussen de goeden en slechten, maar altijd tussen goeden en slechten en goeden en slechten. Dat maakt het zo ingewikkeld, zoals het ook zo ingewikkeld is op de vierkante meters van het leven in onze huis- en slaapkamers.

Nog een laatste belangrijk aspect hiervan: wat een mens zaait, bloeit niet altijd op. Marcus 4, we lazen het zojuist. Het goede en mooie in deze wereld is niet alleen afhankelijk van de zaaier, maar ook van de bodem van het hart waar het zaad valt. Hoeveel ontvankelijkheid is daar? Van oorsprong veel, heel veel zelfs. Maar hoeveel pijn, onmacht, schuldgevoel over verkeerde afslagen die een mens soms neemt kan een hart verharden, de bodem bedekken met een stenen laag? Hoe moeilijk kan het dan worden om, in de woorden van Huub Oosterhuis, te kijken met onze vroegste ogen? Veel mensen zijn ongelukkig zonder het zelf te weten, dan sterft het zaad voor het kans krijgt vrucht te dragen. Herman heeft de wereld veel gegeven, maar hij was onmachtig, zoals iedereen, ook de Joodse rabbi, om de vruchtbaarheid af te dwingen. Ook hier geldt dat het vaak is zoals het is, omdat het niet anders kan. Vruchtbaarheid maakt de meeste kans als iemand ons aanziet met zijn of haar vroegste ogen, dat is zeker. Maar soms schiet dat zo aanzien van de ander ook jammerlijk tekort. Omdat de ander niet kan ontvangen. Teveel gevangen in woede, in verdriet, in verlangens, in schaken met belangen, in angst voor een leven in oprechtheid en warmte. Met het beste wat in je is, de ander niet bereiken, die pijn heeft Herman ook ervaren, weet ik uit onze 28 jaar durende dagelijkse telefonische contacten. Zoals gezegd, deelde Herman, delen wij, dat lot met de joodse rabbi. In de woorden van de door Herman geliefde Hongaarse schrijver György Konrád in zijn boek Tuinfeest, waar Konrád de donkere uren na het Laatste Avondmaal aanraakt: “De Zoon is nu alleen: hij heeft genoeg in gelijkenissen gesproken, genoeg de voeten van anderen gewassen. Nu klampt hij zich vast aan de aarde en is bang.” Ik weet dat Herman een aantal mensen zo graag heeft willen bereiken, maar de toegang niet vond of kreeg. Wat aan de zuiverheid van zijn zaaiwerk niets afdoet.

 

Hier en nu zijn wij zonder Herman. Letterlijk. Hij is niet meer hier in deze kerk. Zo wilde hij het. “Jullie moeten verder zonder mij, laat de eerste stap in de gedachtenis worden gezet. Ik ben er dan niet meer, gedenk mij en ga”, zei hij sprekend over deze bijeenkomst. En zo zijn wij hier. In verdriet om de werkelijkheid, zoekend naar troost. Ik zou daar nog op terugkomen. Bij deze, ter afronding van mijn bijdrage. Met troost is het ingewikkeld gesteld. Velen hebben bijvoorbeeld de ervaring dat anderen opbeurende woorden spreken. En die helpen niet. De woorden, goed bedoeld, zeggen in feite: word anders dan je nu bent. Nogmaals Van Dantzig, met zijn altijd milde duidelijkheid: “Troosten door opbeuring kan gezien worden als uitstoting: men wil van de verdrietige af en hem inruilen voor iemand die niet langer verdrietig is – geen wonder dat opbeuren niet aangenaam overkomt.” Een verdrietig mens is aan het anders zijn voorbij. Die ervaart de waarheid van het verlies, ervaart dat de wereld niet maakbaar is, niet naar zijn of haar hand te zetten is, kortom: die ervaart de bittere waarheid dat er onwrikbare, wrede, niet weg te bidden werkelijkheden bestaan. Opbeuren bedoelt dit verdriet van zijn angel te ontdoen, maar die angel is er niet uit te trekken. De enige troost die wij elkaar kunnen geven, tegelijk ook de enige troost die wij kunnen ontvangen, is laten merken dat je even machteloos bent. Dat je met even veel stomheid geslagen bent. Om die troost te zoeken en te kunnen ontvangen, is belangrijk die troost eerder te hebben ervaren. Als kind, om precies te zijn. Als dat niet voldoende is gebeurd, weten we later niet waar we het zoeken moeten en verdwalen we op tienduizend kromme wegen. Wie de oorspronkelijke troost – bij de ander – niet meer aankan of aandurft, moet zich tevreden stellen met andere manieren om door het lijden te komen: in zichzelf afdalen, zoals dat heet, of zelfs het lijden actief omhelzen door er tegen het diepste gevoel in zin in te zoeken, de vergetelheid zoeken, bijvoorbeeld in alcohol of slaappillen, of een troostende mythe tot dwingende waarheid verheffen, kortom: niemand nodig denken te hebben. De eenzame weg van de verinnerlijking is een moedige weg, Herman ging hem noodgedwongen ook, maar is als enige weg ook een riskante weg. Omdat we ons dan afwenden van wat in de buitenwereld het liefste was dat we ons konden wensen: de troost van de liefhebbende ander. En dan is het maar de vraag of wat dan rest aan alternatieven voldoende is om in de holte van het gemis troost te vinden. Ik denk dat Herman worstelde met dat weten van die oorspronkelijke troost. In zijn autobiografie is hij terughoudend en liefdevol(!) duidelijk dat hij in zijn jonge jaren op dit zo cruciale punt in een mensenleven gemis heeft ervaren. In zijn ervaring, zeg ik met nadruk, en ervaring is het enige dat in deze telt. In de liefde voor zijn ouders lag ook de pijn van gemis. En gemis wreekt zich altijd. Soms kwam dit hard op hem af, het gemis van waar het in het leven toch allemaal om draait: lief zijn en lief gevonden worden. Maar dan was daar soms ook de troost! In de tent rakelings naast Johan en Annelies huilde hij het gemis uit. Maar…. beiden kwamen lief naast hem zitten! Zo deden zij het meest wezenlijke dat een mens voor een verdrietig medemens kan doen: de afstand verkleinen. Gaan zoals de twee doen in het druksel van Hendrik Werkman op de omslag van de liturgie voor deze Gedachtenis: samen gaan, lijf aan lijf, de arm om de schouder, in de tederheid van het alledaagse, die zo eindeloos bijzonder is.

 

Wat spreken we af? Dat we in alles wat ongezegd moet blijven elkaar hier aanzien. Dan is ons zwijgen alleszeggend. En, ten tweede, dat we morgen, overmorgen, en zo lang nodig, van elkaar weten wakker te worden met de nu volgende regels, die wij nu gaan zingen:

Gaat een dode langs de huizen

schrikken mensen van zijn zwart verhaal,

maar de vogels op de daken

zingen een geboortetaal.

 

Regels die doen denken aan het prachtige lied Anthem van de door Herman zeer bewonderde Leonard Cohen, waarin het licht in troost én tekort zo levend samenkomen. Ook hierin zingen de vogels in de dageraad het lied van een geboortetaal, de geboorte van de nieuwe dag, steeds opnieuw, en leven zij voor niet te wonen in wat was of in de angst voor wat komt. Het lied dat in het diepzinnige en zo troostende refrein oproept de klokken te luiden die nog kunnen luiden, dat is: doen wat kan en niet wat niet of niet meer kan. In het diepreikende besef dat in alles een tekort is en dat daar, precies in die breuk, het licht binnen valt.

Leonard Cohen:

The birds they sang

At the break of day

Start again,

I heard them say,

Don’t dwell on what

Has passed away

Or what is yet to be.

(…)

Ring the bells that still can ring

Forget your perfect offering.

There is a crack in everything.

Thats how the light gets in.    

 

Laten wij zo gaan tot het uiterste. Dat is: kijken met onze vroegste ogen. Daarin is en zal zijn: liefde.

 

Leusden/Groningen, 9 februari 2013.

Hans van Dam.